De noodzaak van een algemene bewaarplicht werd niet bewezen

Europese en nationale gegevensbeschermingsautoriteiten (Data Protection Authorities of DPA’s, zo bijvoorbeeld de Belgische Privacycommissie), internationale en nationale burgerrechtenorganisaties alsook tal van internetproviders argumenteren dat de overheid onvoldoende heeft aangetoond dat een algemene bewaarplicht noodzakelijk is voor de veiligheid van de samenleving en dat bestaande, minder ingrijpende maatregelen (cf. het concept van data preservation) niet langer volstaan.

Zo stelde de Artikel 29 Werkgroep (een Europese autoriteit die toezicht houdt op de bescherming van persoonsgegevens) in een aanbeveling van 1999 reeds dat “binnen de juridische context [van de Europese verdragsteksten en de communautaire wetgeving] de verkennende of algemene bewaking van telecommunicatieverkeer op grote schaal moet worden verboden. […] De inachtneming van […] [he]t specificiteitsbeginsel, een logisch gevolg van het verbod van elke verkennende of algemene bewaking, impliceert […] met betrekking tot verkeersgegevens dat de overheid slechts van geval tot geval, en niet op algemene en proactieve wijze, toegang tot deze gegevens kan krijgen ”.

En in een advies van 2001, n.a.v. de terreuraanslagen in New York, beklemtoont de Artikel 29 Werkgroep nogmaals de behoefte aan een evenwichtige aanpak in de strijd tegen terrorisme. De Artikel 29 Werkgroep is van oordeel dat niet alles wat bruikbaar of wenselijk zou kunnen zijn voor de misdaadbestrijding ook als een noodzakelijke maatregel beschouwd kan worden in een democratische samenleving. Zeker niet wanneer dit leidt tot de systematische registratie van alle elektronische communicatie.

Er moet volgens hen gestreefd worden naar een evenwichtige aanpak om te voorkomen dat we het soort samenleving dat we net proberen te beschermen, niet gaan ondermijnen. “De Groep onderstreept in het bijzonder de noodzaak om rekening te houden met het langetermijneffect van urgente beleidsmaatregelen die momenteel snel worden toegepast of gepland. Deze reflectie op lange termijn is des te noodzakelijker vanwege het feit dat terrorisme geen nieuw verschijnsel is en niet als een tijdelijk verschijnsel kan worden aangemerkt. […] Één van de kernelementen van terrorismebestrijding impliceert dat wij zorg dragen voor het behoud van fundamentele waarden die de grondslag van onze democratische maatschappijen vormen [waaronder het recht op de bescherming van persoonsgegevens].” .

De initiatiefnemers van deze campagne verwachten dan ook dat de overheid aantoont waarom zij van oordeel is dat een algemene bewaarplicht noodzakelijk en proportioneel is, ondanks de hoger vermelde tegenargumenten. Het bewijs hiertoe levert men niet aan de hand van populistische slogans, maar op basis van concreet cijfermateriaal.

Ook de noodzaak om de lijst van de te bewaren gegevens uit te breiden, moet aangetoond worden en hierbij mag men ‘noodzakelijkheid’ niet verwarren met wat ‘bruikbaar’ of ‘wenselijk’ zou kunnen zijn. Ook bij deze afweging kan het nodige cijfermateriaal op basis waarvan een vergelijking gemaakt zou kunnen worden tussen het aantal ernstige strafzaken die niet konden worden opgelost omwille van het ontbreken van bepaalde telecommunicatiegegevens -die men nu wil bewaren door de introductie van een algemene bewaarplicht- ten opzichte van het aantal ernstige strafzaken die wel succesvol konden worden afgerond op basis van de beschikbare telecommunicatiegegevens niet ontbreken.

Op basis van concrete gegevens kan men pas werkelijk oordelen of een algemene bewaarplicht nuttig dan wel noodzakelijk is, en, indien een algemene bewaarplicht als noodzakelijk zou worden beschouwd, oordelen over de wijze waarop die bewaarplicht vorm moet worden gegeven. Omwille van een gebrekkige informatisering bij Justitie beschikt de regering echter vaak niet over het nodige cijfermateriaal.