Een algemene bewaarplicht is een grove schending van éénieders recht op privacy

De initiatiefnemers van deze campagne zijn geen voorstander van een algemene bewaarplicht -in eender welke vorm- aangezien het een serieuze schending inhoudt van het recht op privacy en vertrekt van de idee dat elke burger potentieel gevaarlijk is. Wij begrijpen dat het bewaren van verkeers- en locatiegegevens in bepaalde gevallen zinvol kan zijn, maar zijn niet overtuigd van de noodzaak van een algemene bewaarplicht en het feit dat minder ingrijpende maatregelen, zoals data preservation (het bewaren van telecommunicatiegegevens bij bepaalde misdrijven, indien er concrete aanwijzingen bestaan en er een machtiging van een onafhankelijke rechter is), niet langer volstaan.

Het preventief bewaren van éénieders verkeers- en locatiegegevens is een nooit eerder geziene inbreuk op het recht op privacy. Vele mensen zijn misschien bereid dit recht op privacy in te ruilen voor andere behoeften, zoals de behoefte aan een veilige samenleving, omdat zij niet meteen zien wat dit recht op privacy hen biedt of wat dit recht precies moet veilig stellen. Het recht op privacy is waarschijnlijk één van de meest abstracte fundamentele mensenrechten, maar er schuilt een groot gevaar in het ondergeschikt stellen van dit recht aan andere verzuchtingen. Het recht op privacy moet namelijk de realisatie van andere fundamentele mensenrechten mogelijk maken en is met andere woorden een noodzakelijke voorwaarde voor het vrijwaren van een democratische rechtstaat. De populististische slogan dat “wie niets te verbergen heeft, ook niets te vrezen heeft” is dan ook een foute en zelfs gevaarlijke vooronderstelling.

Zonder de garantie op privacy zullen mensen bijvoorbeeld minder snel geneigd zijn om kritische stellingen te verdedigen en te verspreiden en tegen de dominante tijdsgeest in te gaan. Zodra de dominante ideologie in een samenleving niet langer in vraag wordt gesteld, verglijdt men langzaamaan naar een autoritaire staatsvorm. Dat niet alleen de initiatiefnemers van deze campagne het recht op privacy als zeer belangrijk beschouwen, bewijst de verdragsrechtelijke en grondwettelijke verankering van het recht op privacy in artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, artikels 7 en 8 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en artikel 22 van onze Belgische Grondwet. Niet toevallig ook is de evolutie van het (steeds meer) erkennen van een recht op privacy gelijklopend met bepaalde breukmomenten in de geschiedenis, zoals het ontstaan van het EVRM na het fascisme van WO II.

De vraag is dan ook niet zozeer of de initiatiefnemers van deze campagne het gevaar reëel achten dat we door het steeds meer uithollen van het recht op privacy binnen afzienbare tijd verglijden naar een autoritaire samenleving, maar of de overheid kan bewijzen dat een algemene bewaarplicht noodzakelijk en proportioneel is in onze huidige Belgische samenleving en dat minder ingrijpende maatregelen niet langer volstaan.