Een algemene bewaarplicht verstoort het beroeps- en bronnengeheim

Een algemene bewaarplicht verstoort het beroeps- en bronnengeheim van artsen, advocaten, journalisten en geestelijken, evenals politieke en zakelijke activiteiten die vertrouwelijkheid vereisen

Zonder de garantie op privacy zullen mensen minder snel geneigd zijn om met hun problemen een beroep te doen op vertrouwenspersonen. Een enquête die werd uitgevoerd onder de bevolking in Duitsland in mei 2008 door het onderzoeksbureau Forsa heeft de nefaste gevolgen van de bewaarplicht sinds de introductie ervan in Duitsland reeds aangetoond. 52% van de ondervraagden gaf hierbij aan niet langer telefoon of e-mail te gebruiken bij vertrouwelijke contacten en 11% van de ondervraagden zou zelfs hoegenaamd geen telecommunicatie meer gebruiken . Ook informanten van journalisten zullen bij een algemene bewaarplicht aarzelen om gevoelige informatie door te spelen via telecommunicatie. In onze moderne samenleving waarin telecommunicatie een steeds centralere rol inneemt, valt de impact hiervan niet te onderschatten.

Het beroepsgeheim en het bronnengeheim zijn nochtans fundamentele en grondwettelijk beschermde rechten die van zeer groot belang zijn bij het vrijwaren van onze democratische rechtstaat. Daaruit vloeit voort dat een inbreuk op deze rechten enkel aanvaardbaar is in zeer uitzonderlijke omstandigheden, wanneer noodzaak en hoogdringendheid kunnen worden aangetoond en indien er strenge procedurele waarborgen worden gevolgd. Zo heeft het Belgische Grondwettelijk Hof in een recent vonnis van 23 januari 2008 verduidelijkt dat “de strijd tegen witwaspraktijken en het financieren van terrorisme onder geen enkel beding een onconditionele en onbeperkte inbreuk op het beroepsgeheim kan rechtvaardigen ”. De initiatiefnemers van deze campagne zijn ervan overtuigd dat deze waarschuwing van het Grondwettelijk Hof geïnterpreteerd kan worden als een algemene afwijzing van disproportionele inbreuken op het beroepsgeheim en het bronnengeheim.

De initiatiefnemers van deze campagne zijn ook van mening dat een algemene bewaarplicht niet zomaar een aanpassing inhoudt van de wet op de elektronische communicatie van 13 juni 2005 aan de huidige samenleving en de wijze waarop zij gebruik maakt van telecommunicatiemiddelen.

Het is zo dat telecomoperatoren en internetproviders op basis van de wet op de elektronische communicatie van 2005 reeds bepaalde gegevens bewaren in het kader van hun dienstverlening, maar dit gaat om veel minder gegevens en om een veel kortere bewaarperiode (bijvoorbeeld tot het einde van de periode waarop klanten hun factuur bij hun operator of provider kunnen betwisten) dan het huidige voorontwerp van wet en ontwerp van Koninklijk Besluit vereisen. Deze bewaarde gegevens mogen volgens de wet van 2005 enkel worden geraadpleegd door de klant zelf of door de betrokken provider of operator indien dit noodzakelijk is voor hun dienstverlening.

Aan deze wet op de elektronische communicatie is wel een Koninklijk Besluit verbonden dat het kader vastlegt waarbinnen politie of justitie dergelijke gegevens mogen opvragen en de wijze waarop operatoren en providers verplicht zijn hun medewerking hieraan te verlenen. Het gaat meer bepaald om specifieke procedures die zijn vastgelegd in de artikelen 46bis en 88bis van het Wetboek van Strafvordering. De regering bevestigt dat deze procedures zouden blijven gelden bij de algemene bewaarplicht en argumenteert op deze manier dat er derhalve geen bijkomend gevaar is voor het recht op privacy of het beroeps- en bronnengeheim. Deze redenering klopt echter niet om 3 redenen.

Vooreerst worden operatoren en providers op basis van het huidige voorontwerp van wet en ontwerp van Koninklijk Besluit verplicht om veel meer gegevens te bewaren dan zij nu reeds doen. Meer zelfs, internetproviders klagen aan dat zij technisch niet in staat zullen zijn om bepaalde gegevens uit het ontwerp van Koninklijk Besluit te bewaren. Het gaat dan om gegevens die door operatoren en providers niet geregistreerd worden bij de dienstverlening, maar die justitie of politie zouden kunnen gebruiken vanuit strafrechtelijk oogpunt.

Ten tweede klopt ook de redenering niet dat de schending van de privacy niet groter wordt met de 'loutere' aanpassing van de huidige bewaarplicht op basis van de elektronische communicatiewet van 2005. Ook al bestond er in 2005 een politiek akkoord over de wijze waarop politie en justitie in welbepaalde gevallen gegevens kon opvragen van telecomoperatoren en internetproviders wil dit niet zeggen dat dit automatisch ook opgaat voor onze huidige samenleving waarbij onze wijze van communicatie sterk veranderd is en het gebruik van telecommunicatie steeds meer centraal is komen te staan. Het gevaar op een schending van de privacy evolueert uiteraard mee en het is dus zeker niet zo dat er met een algemene bewaarplicht niets zou veranderen!

Ten derde, zelfs wanneer de procedures waarbij politie en justitie gegevens kunnen opvragen (cf. art 46bis en 88bis Sv.) hetzelfde blijven, gaat het Belgische project verder dan wat de Europese Richtlijn beoogde. Het Europese Parlement heeft bij de stemming van deze Richtlijn namelijk benadrukt dat deze gegevens enkel door politie en justitie gebruikt mochten worden in de strijd tegen terrorisme en ernstige criminaliteit. Hoewel het te betreuren valt dat de Europese Richtlijn voor een definitie van “ernstige criminaliteit” verwijst naar de nationale wetgeving mogen we toch oordelen dat de artikelen 46bis en 88bis van het Belgische Wetboek van Strafvordering de drempel een flink stuk lager leggen: gegevens mogen hierbij worden opgevraagd voor praktisch alle misdrijven (meer bepaald voor wanbedrijven en misdaden) en zelfs de beteugeling van kwaadwillige oproepen naar de nooddiensten of het onderzoek door de Ombudsdienst voor telecommunicatie naar de identiteit van elke persoon die kwaadwillig gebruik heeft gemaakt van een elektronisch communicatienetwerk of -dienst komen in aanmerking!

De initiatiefnemers van deze campagne willen er dan ook op aandringen dat wanneer het parlement binnenkort debatteert over het feit of een algemene bewaarplicht nuttig dan wel noodzakelijk is, zij ook nagaat of de bestaande bewaarplicht op basis van de wet op de elektronische communicatie van 2005 nog wel aanvaardbaar is in een samenleving waarin telecommunicatie zo centraal is komen te staan en waarbij de kans op een eventuele schending van de privacy disproportioneel is toegenomen.